Mijn nicht
Geschreven door Ruby (26).
Op mijn 14e jaar stierf mijn nicht van 18 jaar. Ik was er erg van overstuur en verloor het zelfvertrouwen. Telkens dacht
ik dat mijn familie en ik zelf ook ziek zouden worden en al jong zouden sterven. Iedereen zag dat ik door de dood van mijn
nicht veranderde, maar niemand deed de moeite om te vragen waar ik nu eigenlijk zo bang voor was. Als ik moest huilen werd
ik in de armen genomen en werd het verdriet gestimuleerd: Ik voelde me er niet echt beter op. ’s Nachts dacht ik haar te
zien, en dan praatte ik tegen haar. Mijn moeder geloofde er niets van en vond het onzin. Mijn nicht had in dezelfde wijk
gewoond, en mijn ouders dachten dat het verstandig was te vertrekken uit de wijk. Ik was er erg op tegen en er volgde veel
ruzies. Maar wat wil je, als je een zogenaamde ‘puber’ bent?
Nog minder dan een maand later woonde ik in een andere stad. Ik kende niemand en wilde er graag wat indruk maken... Maar de
mensen daar waren niet geïnteresseerd in nieuwelingen. Ik vertelde niemand iets over mijn nicht en wat er allemaal was
gebeurd. Ook praatte ik thuis niet meer over haar. Ik hoopte dat mijn ouders besloten weer terug te gaan naar ons oude huis,
maar mijn ouders waren tevreden met de plek waar we woonden. Sinds de verhuizing had ik mijn nicht geen nacht meer gezien.
Zelfs de dromen over haar werden steeds minder, en ze leek wel totaal te vervagen uit ieders herinnering.
Ik paste me aan, aan een groep op school en nam een bepaalde stijl aan, waardoor ik plots wel geaccepteerd werd. Ik kreeg uitnodigingen voor feesten, begon te roken en hoorde echt bij de pestkoppen van de school. Elke dag veranderde ik steeds meer en meer... Weken gingen voorbij en niets was nog het zelfde als vroeger. Op veel feesten werden er horror films gedraaid, en sommige gingen over geesten oproepen. Mijn vrienden werden geïnspireerd, en enkele weken later zaten we zelf ook in een donkere kamer met kaarsen, in een kring. Kwade geesten werden opgeroepen en enkele van mijn vriendengroep waren dronken of aangeschoten, waardoor de zielen makkelijk de baas konden spelen. Die avond lag de wind stil, maar toch vlogen de ramen open en woeien de kaarsen uit. Meer van dat soort dingen gebeurden in die week, maar later werd het minder. Na ongeveer een maand hadden nog enkele van m’n vrienden nog steeds last van klopgeesten, en dachten dat als we het opnieuw deden, dat alles dan weer zou verdwijnen. Dit was allemaal niet waar, maar vervolgens zat iedereen weken lang met klopgeesten opgescheept.
Hoe ze bij me weggingen weet ik niet zo goed meer, maar ik herinner me nog goed dat ik na een tijd mijn nicht weer kon zien. De klopgeesten verdwenen, en nu ik er over nadenk, denk ik eigenlijk dat zij daar voor heeft gezorgd.
















